Columns

Onderstaande columns over het dagelijks leven in Berlijn zijn eerder tijdens de Boekenweek 2016 in Het Parool gepubliceerd

De groentenboer

Eigenlijk moet alleen Ali een beetje grinniken. De rest van het groepje kijkt me onderzoekend aan. Ik heb een opmerking gemaakt over de mandarijnen bij Bizim Bakkal, en me daarmee politiek gezien op vervaarlijk hellend vlak begeven.

Bizim Bakkal is een Turkse groentezaak in mijn wijk Kreuzberg. Sinds twee jaar is het een beroemd symbool tegen de zogeheten ‘Gentrifizierung’, dat explosieve Berlijnse thema van de ‘verdringing van de oorspronkelijke buurtbewoners’. Bizim zou na 35 jaar door een speculant uit zijn pand worden gezet. Als steunbetuiging zijn overal stickers op fietsen, tassen en regenpijpen geplakt, en hangen spandoeken van de balkons.

Omdat de groenteman van Turkse oorsprong is, is de kwestie nóg beladener. In Bizim Bakkal komen dan ook opvallend veel aanhangers van de Kreuzberger Groenen, die er ostentatief hun ‘Weltoffenheit’ willen laten zien. Uiteindelijk zal de zaak dit jaar echter toch sluiten, vanwege gezondheidsproblemen van de eigenaar.

Mijn opmerking is dan ook heel voorzichtig. Ik heb mandarijnen bij Bizim gekocht, maar er blijken deze keer behoorlijk wat pitten in te zitten. Dat kan overal gebeuren, alleen: als zoiets bij de gewone Duitse supermarkt het geval is, dan klaagt men in Kreuzberg al snel over verdorven commercie. Dus wat als het bij een multicultureel symbool gebeurt: mag je daar dan ook kritisch over zijn?

De reactie is nog net wat behoedzamer dan ik dacht. Florian, een bevriende radiojournalist, slikt eerst even, en begint me opvallend geduldig uit te leggen waar het gevaar loert. Hij vertelt over de extra ‘verantwoordelijkheid’ die hij als Duitser voelt, juist rond multiculturele thema’s, want je kan nooit weten hoe ineens de politieke stemming weer radicaal om kan slaan.

Ineens begrijp ik hoe in deze Kreuzberger kwestie de grote gevoeligheden van links Duitsland anno 2016 samenkomen. Kritiek op de mandarijnen van Bizim Bakkal is wat dat betreft net zoiets als kritiek op het vluchtelingenbeleid. Zelfs onbedoeld kan je zomaar ineens een morele grens overschrijden.

Als Hollander heb ik in dit ideologische mijnenveld echter een prettige positie. Ik mag af en toe voorzichtig relativeren; Florians wantrouwen geldt vooral de eigen landgenoten. Ali zit wat dat betreft in dezelfde situatie als ik. Als architect is hij net zo’n Bildungsbürger als de rest hier aan tafel, maar als kind van Libanese migranten is hij onverdacht.

Ali sust Florian. Een iets ontspannener omgang met multiculturele thema’s kan in Kreuzberg geen kwaad, vindt hij. Want: ‘Een Turkse groentewinkel hetzelfde te beoordelen als een Duitse groentewinkel, is voor de integratie heus niet slecht.’

Gepubliceerd op 19 maart 2016 in Het Parool

—-

De bureaucraat

De gang is lang en leeg. Tientallen gesloten deuren strekken zich voor mij uit. Hier, bij de Berlijnse Belastingdienst, ziet het er precies zo uit als ik had verwacht: grijs, ouderwets en ondoordringbaar.

Na een moeizame briefwisseling van bijna een jaar heb ik besloten dit bureau op te zoeken. Een ambtenaar heeft rond mijn verhuizing naar Duitsland zeven jaar geleden een vormfoutje ontdekt, en heeft zich er in vast gebeten. Ik wil hem graag helpen, maar helaas zijn de brieven in ondoorgrondelijke taal geschreven.

Toen ik in Berlijn kwam wonen probeerde ik confrontaties met de bureaucratische instanties eerst ver van me af te houden. Waar mogelijk hield ik mijn ambtelijke bestaan in Nederland. ‘Leuker kunnen we het niet maken, wel makkelijker’, heerlijk. Maar al snel ging het niet meer, met een Duitse vrouw, een Duits kind, een Duitse auto – en natuurlijk, met een Duitse belastingplicht.

Mijn ambtelijke inburgering zorgde voor een geheel nieuwe blik op de stad. Onder het moderne en vrolijke Berlijn van de 21ste eeuw, blijkt nog een provinciale ambtelijke structuur uit de Koude Oorlog-jaren te zitten. Of het nu het vliegveld is dat niet afkomt of de vluchtelingenstroom die niet goed wordt opgevangen; de bureaucratie heeft menigeen tot wanhoop gedreven.

Door de hardnekkigheid ben ik echter wel benieuwd: zou ik net de enige effectieve bureaucraat hebben getroffen? Hij blijkt geen onaardige man. Een leren jackie, ringbaardje, eind dertig. Hij zegt meermaals: ‘Menselijk gezien zou ik u graag gelijk geven’. Na een uur begrijp ik eindelijk wat er nu precies van mij verlangd wordt.

Tegelijk vervliegt iedere hoop op een snelle afwikkeling. ‘Zo zijn de regels nu eenmaal’, zegt hij, en ‘ik moet ook maar doen wat mijn chef zegt’. Kan ik die chef dan spreken? Onmogelijk, er is de plaatsvervangend chef, de chef van de chef, en dan weer de chef daarvan.

Even voel ik met hem mee, in zijn kamer met honderden beige mappen en nauwelijks zonlicht: zijn we niet beiden slachtoffers in hetzelfde ambtelijke doolhof? Maar als ik naar buiten loop valt mijn oog op een poster van een F16-straaljager aan zijn muur: ‘It’s not enough to win, somebody also has to loose’, staat eronder. De ambtenaar grijnst me toe, en ineens begrijp ik dat de Berlijnse aanpak nog lang kan gaan duren.

Er is maar één oplossing. Een kort briefje aan de Nederlandse belastingdienst blijkt voldoende. Enige tijd later is het probleem opgelost. Voor het eerst in zeven jaar mis ik Nederland.

Gepubliceerd op 18 maart 2016 in Het Parool

—-

De theatermeneer

Het is na middernacht als het gesprek aan tafel pas echt verhit begint te raken. Eigenlijk hebben de acteur, de hooggeplaatste theatermeneer en hun gasten allemaal dezelfde mening: de ondergang van de Berlijnse cultuur is nabij.

De rookdampen hangen laag in de bomvolle ruimte. De Kantine van de Berlijnse Volksbühne ziet er uit als een bruine kroeg uit vervlogen tijden; klein, verouderd, romantisch. Maar hoe ongepolijst het hier ook oogt, ik bevind me deze nacht wel in een van de beroemdste theaters van Duitsland.

Het theatercafé past bij de ‘rebelse’ stijl die de Volksbühne graag koestert. Vooral in de jaren negentig schreven huisregisseurs als Frank Castorf en Christoph Marthaler hier theatergeschiedenis: provocatief, geëngageerd en vernieuwend waren hun stukken. Vorig jaar wijdde de Amsterdamse Schouwburg om die reden nog een festival aan de Volksbühne.

En nu? Op papier ziet de toekomst er glanzend uit. De Berlijnse politiek heeft de subsidie van een toch al enorme 16 miljoen naar 21 miljoen euro per jaar verhoogd. Er komt een grote speelruimte in de stad bij, buitenlandse ‘performance art’-stukken zullen worden geprogrammeerd. Na een eervolle kwarteeuw wordt de 65-jarige Castorf eind dit jaar opgevolgd door een ster uit het buitenland, de directeur van de Tate Modern in Londen, de Belg Chris Dercon.

Daar begint het probleem. ‘Een populist!’ meent de hooggeplaatste theatermeneer aan de cafétafel: ‘Een glamoureuze museumman die niets van het Berlijnse theater begrijpt!’ Maandenlang is deze woede over de komst van de Belg al te horen geweest, niet alleen in theatercafé’s maar ook in de kranten.

Dercon is symbool geworden voor een veel breder debat in de Berlijnse theaterwereld. Over geldgebrek, zoals in Nederland, gaat dat niet. Het gaat over de inhoud. De grootste groep vreest dat de uitgedachte vernieuwing een gladde ‘event-cultuur’ zal opleveren, die de eigen theatertraditie vernietigt. Een kleinere groep ziet in de woede juist een teken van ‘verstarring’: want zo ‘rebels’ zijn de Berlijnse theaters toch ook niet meer.

Aan de cafétafel blijkt men vooral weinig te weten over de nieuwe vijand. ‘Populist?’, zeg ik, ‘Chris Dercon heeft vroeger ook in het Boijmans van Beuningen gewerkt, en in Rotterdam vonden ze hem juist te intellectueel.’

Het tafeltje valt ineens stil. Achter de brillenglazen van de theatermeneer zie ik zijn blik tussen hoop en schrik schieten. ‘Te intellectueel? Zou dat goed of slecht zijn?’ Even kijkt hij me verwachtingsvol aan. Maar of de Berlijnse cultuur daarmee toch nog gered kan worden kan ik hem vannacht ook niet beloven.

Gepubliceerd op 17 maart 2016 in Het Parool

—-

De voetdokter

Als ik de met goud beslagen deur open weet ik dat vanaf nu alles anders wordt. Een stralend witte hoge ruimte spreidt zich voor me uit, vanuit zwart-lederen fauteuils is er uitzicht over de drukke Berlijnse Friedrichstrasse.

‘Goedemorgen meneer’, klinkt het lieflijk vanachter de balie. Een stuk of zes in het wit geklede vrouwen lachen me toe – allemaal jong en mooi. De één voert mijn gegevens in de computer in, de ander begeleidt me naar mijn fauteuil, een derde vraagt me wat ik wil drinken: ‘Of anders een latte macchiato?’

Ik had over dit type artspraktijken in Berlijn gehoord. Tenslotte is er altijd wel weer één of andere Russische miljardair of Oost-Europees politicus waarvan je leest dat hij zich ‘in de Duitse hoofdstad’ laat behandelen. Uit glimmende folders over de economische opbloei van de stad had ik ook begrepen dat het ‘medische onderzoek’ een van de nieuwe speerpunten is.

Lang wist ik echter niet precies wat hiermee bedoeld werd. Als eenvoudig ‘ziekenfonds’-patiënt in het multiculturele Kreuzberg kende ik slechts krappe wachtkamertjes bomvol hoestende patiënten, met als dieptepunt een arts die, duidelijk aan het eind van een lange werkdag, zei: ‘Uw kwaal kan niets betekenen, maar ook een mini-beroerte. De wachttijd voor een MRI-scan is helaas twee maanden. Als u in de tussentijd iets voelt, moet u snel naar de eerste hulp rennen.’

Ineens meende ik te begrijpen waarom minstens de helft van de Berlijners onder een notoir slecht humeur lijdt: aangenamer wordt het leven er met dit soort mededelingen niet op. Op zichzelf zijn de Krankenkasse-artsen goed; de problemen komen bij de overbelasting. ‘De Duitse tweeklassenmaatschappij toont zich het best in het gezondheidssysteem’, mopperen mijn Berlijnse kennissen zelfs.

Inderdaad werd alles anders toen ik door mijn nieuwe zzp-status een dure ‘particuliere verzekering’ moest afsluiten. Een volledig onbekende Berlijnse wereld openbaarde zich: de zachte fauteuils, de korte wachttijden, de allernieuwste apparatuur waardoor binnen een half uur duidelijk werd dat mij niets mankeerde.

Na twee jaar in dit medische paradijs is de voetdokter mijn hoogtepunt – en tegelijk ook het eindpunt. Omdat ik sinds kort wettelijk erkend ‘Publizist’ in Duitsland ben, mag ik terug in de goedkope Krankenkasse. De tijd van zes mooie jonge assistentes en ontspannen artsen is voorbij. De assistente heeft echter beloofd dat de dokter de behandeling van mijn voet alsnog zal afmaken. ‘Maar houdt u dan wel rekening met een paar maanden wachttijd.’

Gepubliceerd op 16 maart 2016 in Het Parool

De nieuwe man

‘Dit was bij mijn eerste kind nog ondenkbaar’, zegt David, universitair docent filosofie, op de rand van de zandbak. Hij doelt op de vele mannen om ons heen. Vaders met driedagenbaardjes, smartphone in de ene hand, babyflesje in de andere – en dat op een gewone woensdagmiddag.

‘Toen ik zeven jaar geleden voor het eerst in deze speeltuin kwam’, zegt David, ’werd ik hier nog vreemd aangekeken. De vrouwen leken te denken dat ik ze wilde versieren, of dat ik een kinderlokker was. Nu is het gewoon geworden.’

David is ‘in Elternzeit’; hij heeft door de overheid betaald ouderschapsverlof, en met hem de halve zandbak. ‘Nieuwe vaders’ had het land nodig, verordende Angela Merkel in 2007. Dat zei ze om pragmatische redenen. Werkende, hoogopgeleide vrouwen bleken in Duitsland te weinig kinderen te krijgen, met als resultaat desastreuze voortplantingscijfers. De Duitse man – notoir traditioneel ingesteld – moest daarom met behulp van miljarden euro’s overheidsgeld geëmancipeerder worden.

Of het de voortplanting inderdaad ten goede komt is de vraag, maar veel mannen genieten inmiddels duidelijk de voordelen van het betaalde verlof: meestal nemen ze een paar maanden, een paar, zoals David, een heel jaar, en ontdekken zo hun verzorgende kant. Berlijn is het centrum van dit nieuwe type Duitse man. Ze laten de Amsterdamse vader er met zijn ene papa-dag opvallend traditioneel uitzien.

Aardige mannen zijn het, die vandaag in onze zandbak zitten; geëmancipeerd, milieubewust, zachtmoedig. In de Duitse media is dit nieuwe type zachte man de laatste jaren dan ook veel bezongen, en hij leek zelfs even tot een collectief Duits ideaal uit te groeien. Tot in 2016 toch de twijfel weer toesloeg.

David haalt uit zijn rugzak een recent artikel uit Die Zeit, het lijfblad van de moderne man. Een paar maanden na het aanrandingsdrama in de Keulse nieuwjaarsnacht worden hierin kanttekeningen gezet bij het nieuwe mannelijkheidsideaal. Met een ironische toon beschrijft de auteur, een geïmmigreerde Pool, wat achter de hand vaker te horen is geweest. Want de zachtaardigheid van die ‘nieuwe mannen’ is natuurlijk leuk en aardig: ‘Maar waarom hebben de mannen in Keulen hun vrouwen niet beschermd, zoals ouderwetse macho’s zouden doen?’

Voor David er zijn commentaar op kan geven, komt zijn 3-jarige zoon aangerend, huilend. Mijn dochter heeft hem geknepen. Kort lijkt de filosoof na te denken wat hij zijn zoon nu zal zeggen: liefdevol vergeven, of misschien toch ferm terugknijpen? Voor de moderne Berlijnse man zijn het geen eenvoudige tijden.

Gepubliceerd op 15 maart 2016 in Het Parool

Easyjetset 2.0

Dicht staan we op elkaar gedrukt, in één van de achterste hallen van Schiphol, waar de lowbudget-vliegtuigen staan. Vaak heb ik in deze rij gestaan, en meestal was al van ver te zien dat dit de rij voor Berlijn was. Een bepaald type overheerste er, of ze nu uit Nederland, Duitsland of waar dan ook kwamen; jong, donker gekleed, niet bepaald kapitaalkrachtig, en met een voorliefde voor afgetrapte sneakers.

Misschien dat me daarom vanavond een heel ander soort  Nederlandse toeristen opvalt. Ergens tussen de dertig en veertig zijn ze, onbezorgd vrolijk, en gezien hun kleding gaat het hen goed. De mannen dragen kleurige Floris van Bommel-schoenen, de vrouwen hebben jurkjes aan die vast ook van een heuse designer zijn.

Direct plaatsen kan ik ze niet. Ambtenaren? Daarvoor zijn ze te goed gekleed. Advocaten? Nee, te losjes. Ook zij hebben iets ‘creatiefs’, maar anders dan het houtje-touwtje-genre dat de Berlijnse toerist zo lang kenmerkte. Eerder iets creative industry-achtigs: iets vlots waarmee toch geld kan worden verdiend.

De Easyjetset, zo omschreef Spiegel-journalist Tobias Rapp in zijn boek over de technoscene de typische Berlijn-toerist begin 21ste eeuw. Van overal vandaan kwamen ze, dankzij de opkomst van de goedkope vliegmaatschappijen. De technofans sloten prima aan bij de rest van de stad. Het failliete Berlijn noemde zich in 2005 ‘arm aber sexy’; het was een speeltuin voor verarmde kunststudenten, omgeven door werklozen, bouwputten en slecht gehumeurde ambtenaren.

Vanavond toont zich duidelijk een nieuw type bezoeker; een nieuwe Easyjetset. Het Nederlandse groepje wordt aangetrokken door een snel veranderend Berlijn. De verarmde kunststudenten van toen hebben internet-start-ups opgericht, met flinke investeringen vanuit het buitenland. Ondertussen heeft de toeristenstroom zich verdriedubbeld naar 30 miljoen overnachtingen – niveau Parijs en Londen. ‘Arm aber sexy’? De toerismebureaus bejubelen nu een ‘dynamische’ stad van vele mogelijkheden.

Na de landing lopen de Hollanders opgetogen door de gangen van het vliegveld. Speciaal voor dit soort bezoekers wilde men een grote glimmende luchthaven bouwen. Maar na twintig jaar plannen en minstens zoveel bouwschandalen is het, zoals zoveel in de stad, nog steeds niet gelukt de chaos tot een goed eind te brengen.

De Floris van Bommel-schoenen klakken over de vloer van het oude vliegveld. Door het contrast ziet het gebouw er extra vervallen en somber uit. Ik word er ineens erg vrolijk van. Nieuw geld, nieuwe slogans, nieuwe Nederlanders; maar ergens kan Berlijn toch ook alleen maar Berlijn blijven.

Gepubliceerd op 14 maart 2016 in Het Parool

Onderstaande columns over dagelijkse fenomenen in het hedendaagse Duitsland worden ook gepubliceerd op de website van het Duitsland Instituut Amsterdam.

Een lichtvoetig Duitsland

Over het Duitsland-beeld tijdens de Nederlandse Boekenweek 2016

De dansvloer op het Boekenbal is nog slechts half gevuld, als ik het zinnetje hoor, dat ene zinnetje dat toch zo veelzeggend is. De zangeres in haar groene jurk zingt het niet zozeer, ze verzucht het eerder, met zachte stem. ‘Deutschland ist größer. Schöner. Besser!’

Ik kijk om me heen, een beetje verbaasd. ‘Duitsland groter, mooier, beter’? Kan dat midden in hartje Amsterdam zomaar worden gezegd? Dat zou in de Berlijnse cultuurwereld niet zo makkelijk gaan, zeker niet in deze turbulente tijden van opkomend rechts.

Op de dansvloer van de Amsterdamse stadsschouwburg is er echter niets van een schok te merken. De zangeres heeft het zinnetje theatraal uitgesproken, en de altijd beladen zin over Duitse superioriteit krijgt daardoor iets lichtvoetigs. Mocht iemand het al gehoord hebben, dan weet hij dat hij er om mag grinniken; ‘Grappige mensen die Duitsers, en hun cultuur ís toch ook best mooi?’

Ik loop nog maar wat verder door de stadsschouwburg, om tussen glunderende hele en halve BN-ers te zoeken wat de Nederlandse cultuurelite nog meer krijgt voorgeschoteld nu ‘Duitsland’ het thema van de Boekenweek is. Op de gevel is een fake-Brandenburger Tor geplaatst, in de welkomsthal staan Autobahn-borden met beroemde Duitse schrijversnamen, Thomas Mann naar links, Heine rechtdoor. Boven de trap hangt Marlene Dittrich, in de gang zijn bekende Duitse leuzen op de muur aangebracht, inclusief ‘Wir schaffen das’.

De Duitse zware cultuur is hier tot olijke kwinkslagen verwerkt. Ze passen prima bij het beeld van Duitsland dat in de rest van de Boekenweek wordt overgebracht. Ik kwam in een boekhandel in Gouda waarin de etalage met een Dirndl en Goethe’s Faust werd gedecoreerd; in een boekenhandel in Deventer werd Schubert uitgevoerd, maar ook een quiz over gekke Duitse woorden gehouden. In de CPNB-folders waren opvallend veel bier, worst en andere culinaire stereotypes te zien.

Tijdens een debat in Amsterdam vroeg een journalist me of die voorbeelden betekenen dat zelfs de Nederlandse culturele elite nog steeds niet verder is gekomen dan cliché’s over het buurland. Tenslotte is de ‘echte kennis’ over het land een stuk verder te zoeken, en was er in feite nauwelijks aandacht voor Duitse literatuur.

Natuurlijk, de olijkheid zegt veel over het huidige Nederland, waar inmiddels alles ‘grappig’ móet zijn om aan de man te worden gebracht, zelfs Duitsland. Er zit echter ook een andere kant aan: op hetzelfde moment dat er in de Nederlandse kranten over een politieke crisisstemming in Duitsland wordt bericht, en terwijl rechts-radicale agressie tegen asielzoekers een reëel feit is, is het overheersende beeld van Duitsland in de Boekenweek van een opvallende lichtheid.

Heel wat Duitsers zouden er toch wat opgelucht over zijn. Het sluit aan bij het ‘vrolijke patriottisme’ dat er de afgelopen jaren in Duitsland zelf voorzichtig te merken was, onder andere rond het voetbal en het Songfestival. De moeizame vraag naar ‘wat is Duits?’ bleek voor het eerst ontspannen en olijk te kunnen worden beantwoord. Sinds de opkomst van Pegida en de AfD in 2015 is deze vraag echter weer volkomen gepolitiseerd – en loodzwaar geworden.

Van al die Duitse gevoeligheden hebben de Nederlanders op het Boekenbal geen last, zo blijkt op de dansvloer. De band speelt verder, onder andere Duitse liederen uit de jaren twintig en Schlagers. De paar literaire types die zich voor middernacht al aan danspasjes wagen, zijn lacherig bezig hun vorm te vinden. Tenslotte vraagt de muziek om een uitgekiende stijl van bewegen – en vooral: ironisch.

Gepubliceerd op 16 maart 2016

De AfD-vraag

‘Maar die partij Alternative für Deutschland, die zegt toch wat heel veel mensen denken?’ De vraag komt van een keurige dame, iets boven de zestig. Ze kijkt me niet onvriendelijk, maar wel een beetje streng aan. Ze vervolgt: ‘En die Duitse media, die onderdrukken dat geluid toch?’

Daar is ie weer, de AfD-vraag, is mijn eerste gedachte achter de lessenaar, tijdens mijn verhaal over ‘het hedendaagse Duitsland’. Ik heb hem de laatste tijd al vaker gehoord – sterker nog: het is de vraag die bij iedere lezing wel terugkeert.

Met de Boekenweek in aantocht ben ik onderdeel van een legertje journalisten, historici en auteurs die in Nederlandse bibliotheken en cultuurcentra Duitsland dienen te verklaren.

Nu is niets zinvoller voor een correspondent dan de confrontatie met het thuisland, al is het maar om de heersende emoties te kunnen peilen. Tot voor kort waren er lovende woorden te horen over de bloeiende Duitse economie en de hipheid van Berlijn. Nu vraagt men over ‘Keulen’, de nieuwe rechtse partij AfD en de ‘politiek-correcte’ Duitse media.

Even omschakelen is het daarbij wel. Een paar uur geleden was ik nog in Berlijn, in mijn wijk Kreuzberg, waar al maanden ‘refugees wellcome’ de meest gebruikte graffiti-leus bij ons op de gevel is. Nu ben ik in een keurig zaaltje in een uiterst welvarende Nederlandse gemeente, waarin zich een stuk of vijfentwintig bezoekers bevinden, ouder, hoogopgeleid en overal het algemeen goed gesitueerd— de doelgroep van het Nederlandse lezingencircuit.

Het is echter vooral de AfD-vraag die het verschil in atmosfeer het best weergeeft. Het AfD-thema zou in het alternatieve Kreuzberg alleen met schuimbekkende woede aangesproken kunnen worden; daar ziet men de aanhangers ervan als potentiële rechtsradicalen, een gevaar voor de democratie – minstens.

In het lezingenzaaltje begin ik dan ook behoedzaam, gewend aan de Duitse gewoontes. Ik zeg dat zo’n partij ‘rechts van de CDU’ voor Duitse begrippen nu eenmaal erg beladen ligt, dat de zorgen om gewelddadig rechtsradicalisme veel groter zijn dan in Nederland. Daarbij is het nog maar de vraag hoe groot de partij landelijk zal worden: er is immers ook nog de rechtervleugel van de CDU, die traditioneel de taak heeft partijvorming van rechts tegen te houden.

De mevrouw kijkt me wat ongedurig aan. Zo omzichtig wil ze het duidelijk niet hebben. Ze blijkt de AfD helemaal niet als ‘gevaar voor de democratie’ te zien, maar als een gevólg van de democratie – net als de PVV in Nederland. Eerder spreekt ze kritisch over de Duitse media, die zich als een ‘scheidsrechter’ over goed en fout zouden opstellen.

Ik merk dat ik lang uit Nederland weg ben. Nog geen tien jaar geleden zou de toon compleet anders zijn geweest. Iedere verdenking van rechtse partijvorming zou voor een storm van morele verontwaardiging in Nederland hebben gezorgd. Nu overheerst die reactie in alle Duitse media, maar in Nederland beduidend minder.

Achter de AfD-vraag toont zich dan ook een nieuwe Nederlandse houding tegenover Duitsland. De jarenlange alomtegenwoordigheid van de PVV in het publieke debat is te merken. Zelfs bij niet-PVV-stemmers is de gewenning toegenomen, de beschuldigende vinger naar de buren is verdwenen. Haast hoopvol meent men dat Duitsland qua rechtse partijvorming nu precies hetzelfde is als Nederland – al gaat het er wat langzamer.

‘Noem het maar een Duitse variant van de PVV’, zeg ik uiteindelijk tegen de mevrouw. Dat blijkt effectiever. De mevrouw kijkt niet meer streng, ik meen zelfs een soort opluchting te bespeuren. Alsof ze denkt: dan hebben die Duitsers dus dezelfde problemen als wij.

Gepubliceerd op 29 februari 2016 op Duitslandweb